Sally - Verslag van Terreincommandant
In de dorpskrant van October 1984 werd iets medegedeeld over de kontaktdag van de voormalige verzetsgroep “Sally” op 4 Mei a.s.
Bij het opruimen van de zolder vond ik een paar maanden geleden tussen wat oude spullen een uitgebreid verslag, dat ik vlak na de bevrijding in Mei ’45 als commandant van het afwerpterrein heb moeten maken.
Voor diegene, die interesse hebben in dit soort zaken, volgt hieronder een en ander uit dit verslag.
In October ’44 werden de liggingsgegevens van het land van Kollis -waarvan in voormelde Dorpskrant sprake was – dat geschikt was bevonden om als afwerpterrein te dienen, doorgegeven. Deze liggingsgegevens bestonden uit een kopie van een gedeelte van de kadastrale kaart alsmede de afstand tussen de kerktorens van Wijdenes, Oosterleek en Schellinkhout, die op stafkaarten staan aangegeven.
De definitieve goedkeuring van het terrein kwam op 16 November. Wanneer er gedropped zou worden vernamen we uit de “bijzonder boodschappen”, die door de radio vanuit Engeland werden uitgezonden. Hierbij had elk afwerpterrein een eigen code en er was voor elk afwerpterrein dezelfde tijdcode, d.w.z. dat er voor elke periode van twee uur vanaf ’s avonds tien uur tot ’s morgens vier uur een code was.
Bij elke dropping behoorde dus twee codes; één die het afwerpterrein aangaf waar zou worden gedropped en één die de tijd aangaf waarop de dropping ongeveer te verwachten was.
Deze bijzondere boodschappen werden twee keer uitgezonden nl. de eerste maal in de uitzending van ’s middags 1 uur en de tweede maal om 8 uur ’s avonds vóór de nacht, waarin zou worden gedropped. Als de tweede uitzending achterwege bleef was de dropping alsnog afgelast, bv door verslechtering van het weer.
Ik herinner me de codes niet allemaal meer, maar de code voor “Sally” was: “De schaatsen zijn opgeborgen” en één van de tijdcodes, ik geloof van 12 tot 2 uur was: “De melk kookt over”. Deze codes zijn één keer allemaal gewijzigd, nadat iemand, die hiermee op de hoogte was, door de Duitsers was gepakt.
Als we zeker waren, dat er een dropping op komst was, werden de toegangswegen tot het dorp bewaakt. Het vliegtuig beschreef bij zijn komst eerst cirkels rondom het terrein. De piloot kon de juiste plaats vinden doordat onze lampen op het toestel werden gericht als het dichtbij was. Er waren drie lampen op een rij met een tussenruimte van zo’n 100 m en één opzij daarvan, waarmee bij ons de letter N in morse werd geseind. We moesten daarbij natuurlijk wel oppassen niet naar een Duits toestel te seinen. Het vliegtuig behoorde tegenwind aan te komen en als het het terrein even voorbij was, de lading te droppen. Het vloog dan op een hoogte van een paar honderd meter.
De eerste dropping kwam in de nacht van 18 November. Het was stormachtig en pikdonker. Daardoor en doordat de dropping slecht werd uitgevoerd, wisten
we niet of er al dan niet was gedropped, nadat we een vliegtuig hadden gehoord.
Enkelen onzer meenden een geluid te hebben gehoord, dat het openklappen van parachutes zou kunnen zijn geweest. We gingen dus op zoek en na 2 1/2 uur werden de containers gevonden, ongeveer 800 m van ons terrein. Verschillende containers waren midden in het kassencomplex van Rolle terecht gekomen. Omdat er niet voldoende tijd meer was om in het donker alles af te voeren werd de hele zaak in één van de kassen verzameld en de volgende avond weggehaald. De schade aan de kassen werd hersteld met glas* dat we van Piet Ham (aan de Noorderuitweg) konden kopen, die juist één van zijn kassen had opgeruimd. Het gezegde : een slechte generale is een goed uitvoering ging ook hier op. Als we deze eerste dropping als de generale repetitie beschouwen kan worden gezegd, dat we sindsdien niet zoveel problemen meer hebben ondervonden.
Door het vliegtuig werden containers en pakketten gedropped. De containers waren metalen cylinders van een paar meter lang met 4 handvaten. Ze bevatten wapens en munitie. De pakketten waren lichter en bevatten bv zendapparatuur, verbandmiddelen, militaire kledingstukken en levensmiddelen, zoals blikjes melk, biscuit, chocola, tabak en sigaretten. Van datgene wat we zelf mochten houden waren natuurlijk tabak en sigaretten zeer geliefd. De sigaretten zaten veiligheidshalve in pakjes zonder opschrift, bij het roken moest toch wel enige voorzichtigheid worden betracht, omdat echte tabak nu eenmaal anders ruikt dan het surrogaat, dat toen algemeen gebruikelijk was.
Het afwerpterrein “Sally” te Wijdenes.
Evenals de andere terreinen in Westfriesland is “Sally” in het leven geroepen om tijdens de bezetting wapens e.d te kunnen droppen voor het ondergronds verzet en om bij een geallieerde opmars of invasie in Noord-Holland voor deze strijdkrachten materialen te kunnen aanvoeren.
Het terrein werd in gebruik genomen in de herfst van ’44 en het ontving 7 droppings met in totaal 28 ton materiaal.
Het materiaal bestond uit wapens, explosieven, voedings- en genotmiddelen (tabak en sigaretten), soms enkele geallieerde uniformen en bijzondere zaken zoals b.v. zendapparatuur en radioontvangertjes.
Situering van het terrein.
Op bijgaande topografische kaart nr. 19 F is met een groene omlijning het afwerpterrein aangegeven.
In rood is aangegeven de boerderij, bewoond door de veehouder W.Kollis
waar de droppingploeg bijeenkwam en de afgeworpen materialen werden uitgepakt en geteld; deze boerderij heeft later de naam “Sally” gekregen, welke naam er na nog op staat vermeld.
In blauw is aangegeven de afgelegen bedrijfswoning van de fruitkweker
A. Schaap✝ waarheen de getelde materialen per schuit of paard en wagen
werden vervoerd voor tijdelijke opslag tot het tijdstip van vervoer naar verschillende adressen.
Organisatie.
Onder de”commandant afwerpterreinen” (cat.) ressorteerde voor elk afwerpterrein een terreincommandant (Tc.).
De terreincommandant had de leiding over de nodige mensen, die direct met de dropping te maken hadden en moesten zorgen voor ontvangst, uitpakken, tellen en het voorlopig opslaan van de gedropte materialen alsmede over een sectie voor de bewaking van het terrein.
Onder de sectiecommandant ressorteerden drie groepen van elk elf man onder een groepscommandant. Deze groepen waren elk bewapend met een brengun, enkele stenguns ( ± 6) en geweren (± 4) en verder enkele pistolen en handgranaten.
Gang van zaken bij een dropping.
Als men van plan was een dropping uit te voeren werd dit in de middaguitzending van “radio Oranje” (tijdelijk een andere zender, ik meen België Frans) door vermelding van twee “bijzondere boodschappen” (codes) kenbaar gemaakt.
Eén code gaf aan op welk terrein men wilde droppen, terwijl een andere code het tijdstip vermeldde. Het tijdstip was in dit geval een periode van twee uur; zo waren er codes voor de perioden 20.22, 22-24, 0-2 en 2-4 uur.
De code voor het afwerpterrein “Sally” was “de schaatsen zijn opgeborgen” en één van de tijdcodes was “de melk kookt over”.
Deze boodschappen werden in de avonduitzending van 20 uur herhaald tenzij ondertussen door weersomstandigheden of anderszins was komen vast te staan, dat de dropping niet door ging.
Als de boodschappen ’s avonds werden herhaald kon het toch wel gebeuren, dat er geen vliegtuig verscheen.
Als een dropping werd verwacht verzamelden de manschappen zich voor 20 uur(i.v.m. de spertijd) in de boerderij.
De eerste keer was dit een man of tien in totaal, in korte tijd bijeengeroepen; daarna werd voor dit doel meer een organisatie opgebouwd zodat we tenslotte beschikten over een man of vijftien naast de genoemde sectie voor de bewaking van het terrein.
Ongeveer een uur voor de afgesproken tijd gingen we naar buiten.
De bewakingsgroepen betrokken een post bij de overgangswegen naar het dorp met het doel een eventuele overval te verhinderen.
Van de anderen stelde ongeveer de helft zich op in een grote kring rondom het centrum van de afwerpplaats om na, te gaan, of gedropte containers eventueel buiten deze kring terecht kwamen en zo ja, waar.(de parachutes met containers waren meestal in de lucht zichtbaar ondanks de duisternis);de andere helft ging naar het centrum en stelde vier, door accu’s gevoede lampen op die de windrichting aangaven met drie in lijn geplaatste lampen wit-roodwit en naast de lamp aan het ene einde een witte seinlamp, die als het vliegtuig naderde in “morse” de afgesproken letter van het terrein seinde.
o wit
o rood
o wit
o witte seinlamp
Als het vliegtuig naderde beschreef het eerst groter daarna steeds kleiner wordende cirkels tot de piloot de lampen zag en wist, waar hij moest droppen..
In een later stadium beschikten we over een “Eureka”, een apparaat, dat een sein uitzond dat door het vliegtuig werd opgevangen, waarna het in rechte lijn naar de afwerpplaats vloog. Het naderen van het vliegtuig was merkbaar doordat de toont die voor ons hoorbaar aan het sein was verbonden, steeds hoger werd, naarmate het toestel naderde.
In een nog later stadium beschikten we ook over een “S-phone”, een zendontvangapparaat, waardoor we met de piloot in contact stonden en informatie gaven over b.v. windrichting en -sterkte en vroegen naar het aantal containers en pakketten, dat hij ‘in” had.
Als het toestel de goede plaats had bereikt liet de piloot dit weten door met enkele boordlichten te knipperen (boven het centrum).
Daarna werd in enkele runs de lading uitgeworpen; deze lading bestond uit containers voor het zwaardere materiaal (wapens: en pakketten voor het lichtere materiaal (voedingsmiddelen en b.v. zendapparatuur).
De containers en ook de pakketten waren doorlopend genummerd; we moesten dus altijd net zo lang zoeken tot geen enkel nummer ontbrak. Behalve de eerste keer (waarover later meer) werd de dropping in het algemeen zo goed uitgevoerd, dat het zoeken niet te veel problemen gaf. Het was in dit verband zaak, goed op te letten, waar de parachutes neer kwamen (en ook, in verband met de eigen veiligheid, te letten op containers, die aan niet geopende parachutes neerdenderden en op lading, die bij het dalen de container al vooruit was doordat de schok van het opengaan van de parachute de bodem uit de container had geslagen). een stoppelveld van allerlei materialen, die rechtop in de grond stonden, was soms het gevolg).
Als de dropping was uitgevoerd en de oppervlakte, waarover de lading verspreid (per raai in een rechte lijn) was neergekomen, bekend was, kwam een paard-en-wagen, geladen met draagbare bruggen (stukken smalspoor, met planken dichtgetimmerd) om over de sloten te leggen, het land in.
De gedropte containers en pakketten werden verzameld, naar de boerderij gereden en aldaar uitgepakt, waarna de inhoud werd geteld of gewogen (munitie) en per paard-en-wagen of schuit naar de boerderij van Schaap
werd vervoerd. De lege containers werden in de diepe dijkgracht in het water gegooid.
Nadat een deel van de ontvangen genotmiddelen onder de werkers was verdeeld ging dan ieder zijns weegs.
Het ontvangen materiaal werd meestal binnen een termijn van twee weken naar elders afgevoerd.
Enkele bijzonderheden.
De eerste dropping werd zeer slecht uitgevoerd.
De piloot behoorde tegen de wind in te komen aanvliegen en als hij het terrein even voorbij was (al naar gelang de windsterkte) de lading droppen. Tijdens deze dropping in een stikdonkere nacht kwam het toestel met een krachtige wind in de rug hoog aanvliegen en alleen uit de omstandigheid dat we meenden nog iets anders gehoord te hebben (waarschijnlijk het openklappen van de parachutes) dan de motoren en de wind achtten we het niet uitgesloten, dat “er iets was gebeurd”, hoewel niemand iets had gezien.
Na uren zoeken, ongeveer in de richting, die het toestel door zijn geluid had aangegeven, en “voor de wind af” vonden we zo’n 500 meter vanaf het afwerpterrein de eerste containers. De meeste bleken te zijn terechtgekomen temidden van een complex van druivenkassen en warenhuizen en in de bomen van een fruitkwekerij van de tuinder Rolle aan de Noorderuitweg.
Omdat veel kostbare tijd verloren was gegaan slaagden we er ternauwernood in voor het aanbreken van de dag alles bijeen te zoeken(de kleurige parachutes, die tegen de grauwe grond afstaken, vergemakkelijkten dit). Van afvoeren in deze nacht was geen sprake meer.
Met een paar mensen hebben wij bij het eerste daglicht nog de omgeving afgezocht, maar we bleken alles binnen te hebben.
De volgende nacht werd alles afgevoerd. Niemand had iets gemerkt; alleen moest met de tuinder een regeling voor de schade worden getroffen.
De vrees, dat deze eerste dropping tevens de laatste zou zijn( met de mogelijkheid van represaillemaatregelen) werd gelukkig niet bewaarheid.
Eenmaal werden twee droppings in dezelfde nacht ontvangen.
Uit de codes was gebleken, dat in die nacht op twee terreinen? waaronder “Sally” zou worden gedropt.
Toen onze dropping was geschied verscheen er onverwacht nog een vliegtuig terwijl we bezig waren de spullen te verzamelen en hoewel dit toestel waarschijnlijk was bestemd voor een ander afwerpterrein (of het eerst vermelde toestel) met andere codeletter kregen wij toch de eer na een overhaast weer opgezette seinopstelling.
Dit bleek gelukkig voor het paard, dat reeds met de wagen in het land was om de eerste dropping te verzamelen, geen aanleiding om op hol te slaan.
De omstandigheid» dat we instructies hadden ontvangen ons voor te bereiden op een onophoudelijk droppen vanaf een uur U, ingeval Noord-holland strijdtoneel zou worden, was oorzaak, dat we deze nacht toevallig met een tweeploegenstelsel oefenden.
Het bewerken van een dubbele voorraad leverde daardoor niet te veel problemen op.
Dordrecht, februari 1976
Evert (v.m. Terreincommandant van “Sally”)
alias J.F. van Weelden