Verslag van het Afwerpterrein 'Sally'

Ontstaan van het terrein.

Tegen het einde van de maand October 1944 kreeg ik bezoek van dikke Dick.( Dirk Laan ) 9 met wie ik reeds eerder contact had gehad in de L.0.9 en• Gerard ( Barend Mes ) 9 K.P. leider. Hij was nl. pl. leider van de L.O (LO = Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers). in Rem Venhuizen geweest, terwijl de L.O. Wijdenes aan mijn zorg was toevertrouwd.

Zij vroegen mij inlichtingen over een bepaald stuk land, gelegen in de gemeente Wijdenes, tussen de Dorpsstraat en de Wijmers. Hoewel ze niet zeiden, waar deze inlichtingen voor moesten dienen –ze wisten natuurlijk niet of het hier te vestigen afwerpterrein zou worden goedgekeurd, en dan was het beter niemand in de plannen gekend te hebben – begreep ik al spoedig, waar het om ging.

Met een polsstok gingen we het land in en maakten daar een schets van het stuk land, dat later ons terrein zou worden, en de onmiddellijke omgeving.

Aangezien de afmetingen geschat waren, was de schets niet precies op schaal.

Daarom begaf ik mij naar het gemeentehuis, waar ik inzage kreeg in de kadastrale kaarten van onze gemeente. Zo konden we onze tekeningen precies op schaal kopiëren.

Met het uitzoeken van de benodigde manschappen zouden we wachten tot de goedkeuring van het terrein was doorgekomen. Wel echter zou ik contact zoeken met de boer, wie het land toebehoorde, W. Kollis genaamd. Dit ging vrij makkelijk, aangezien hij onderdak verschafte aan één van mijn L.O. medewerkers en de goede zaak een warm hart toedroeg. Toestemming om op zijn land de droppings te doen plaats vinden, was dan ook spoedig verkregen. De goedkeuring van het terrein kwam officieel op 16 – 11 – 1944. Om redenen, mij onbekend, is dit bericht van goedkeuring niet direct aan mij doorgegeven, met het gevolg, dat er nog absoluut niets was voorbereid toen voor de eerste maal gedropped werd.

De eerste dropping.

Deze dropping kwam, zoals gezegd, voor ons volkomen onvoorbereid.

Op 18-11-’44, ’s avonds om half tien kwam dikke Dick bij me,, vergezeld van een marechaussée, met de laconieke mededeling, dat er tussen tien en twaalf uur een dropping te verwachten was. Er was geen tijd meer om de assistentie in te roepen van een voldoend aantal betrouwbare mannen. Ik volstond er dus mee al het manlijk personeel, dat zich op dat moment op de boerderij van de heer Kollis bevond, te mobiliseren, te weten : een L.O. medewerker, H. Rumkorf, twee zwagers van laatstgenoemde en nog een onderduiker, U. Steenblok, benevens de heer Kollis zelf. 

Terwijl de anderen zich voor de te verrichten arbeid gereedmaakten, ging de eerstgenoemde met ons het land in. Alzo was de bemanning, benodigd om de lampen te hanteren, voldoende. Hoewel het toen nog geen 10 uur was, zat het
toestel al in de lucht. Toen wij onze plaats met de lampen (door dikke Dick meegebracht) hadden ingenomen, arriveerden Guus en Tom (P.C. Venhuizen). Ook de anderen voegden zich bij ons en reeds kwam het toestel voor de eerste maal over. Nadat het voor de derde maal over was gevlogen, stonden we in twijfel.
Het was een stikdonkere nacht. Enigen meenden iets gezien te hebben. Een paar van ons hadden iets gehoord, wat het geluid* dat veroorzaakt werd door het openslaan van da parachutes geweest moet zijn, maar niemand kon met zekerheid zeggen, waar de lading, zo er gedropped was, ongeveer was neergekomen. Aangezien het toestel zich na de derde maal niet meer liet zien, restte ons niets anders, dan te gaan zoeken in de richting, waar we de eventueel gedropte lading konden vermoeden, en met de hoop, dat niet een boerderij het slachtoffer zou zijn geworden van een container-bombardement. Land na land werd afgezocht, doch oorspronkelijk zonder resultaat. Eindelijk* na 2 1/2. uur zoeken werden de eerste containers gevonden op een stuk land, grenzende aan een perceel met vruchtbomen en druivenkassen. Het grootste gedeelte van de lading vonden we toen op laatstgenoemd perceel. De haren rezen ons te berge toen we de ravage daar aanschouwden. Drie containers waren dwars door de druivenkassen gevallen, enkele hingen in de bomen. De gehele lading lag verspreid over 5 percelen, alle gescheiden door sloten. Aangezien alles te ver van onze uitpakplaats, die we gedacht hadden in de boerderij van Kollis verwijderd lag ( ongeveer 800 m. ) moesten we een andere plaats zoeken om de containers voorlopig onder te brengen.
Besloten werd om hiervoor één van de druivenkassen te bestemmen. De eigenaar, C. Holle, wist van de hele zaak natuurlijk niets, doch er zat voor ons niets anders op.

Rolle, die het lawaai van brekend glas wel gehoord had, was desondanks in huis gebleven. We vertelden hem wat onze plannen waren en togen aan het werk.

Het werd de zwaarste droppingsnacht, die we op “Sally” hebben meegemaakt.

Ten eerste lag de lading erg ongunstig. We konden de containers alleen op een fietswagentje van de percelen, die door een smal bruggetje met de openbare weg in verbinding stonden, naar de plaats van bestemming vervoeren. Dan hadden we veel te kort mensen om de operatie vlug te doen verlopen.

Toen we meenden* dat alles binnen was ( er waren geen genummerde containers bij, waaruit we het aantal zouden kunnen afleiden ), was de dag al aangebroken.
Bij daglicht vonden we nog twee containers* die we door de diepe duisternis niet hadden gevonden. We kregen toen nog moeilijkheden met een boer, Klerk geheten, op wiens grond één van de containers lag.
Hij is een principeloze man, die niet was af te brengen van zijn idee, dat hij een en ander bij de burgemeester moest aanbrengen. Ik wist hem er echter toe over te halen het het hele verhaal i.p.v. bij de burgemeester, bij de marechauscce te Wijdenes te gaan vertellen. Het lag nl. in mijn bedoeling deze bij ons werk in te schakelen. Nadat we hem gedreigd hadden, dat het hem niet goed zou vergaan als hij tegenover anderen zijn mond voorbij praatte, brachten we de twee containers in veiligheid.

’s Middags werd alles uitgepakt en ’s avonds vond het vervoer plaats.

De lege containers verdwenen in een diepe put, wapens en munitie ging met paard en wagen naar de Zwaagdijk en vandaar per boot naar de Wieringemeer.

In totaal hadden we 21 containers ontvangen.

Opmerking.

Deze lading is door een vliegenier op absoluut ondeskundige wijze gedropped.
In plaats van tegen de wind in te vliegen, kwam hij voor de wind af en dropte toen hij ons al een eind voorbij was. Ik kreeg de indruk, dat hij iemand was zonder enig verantwoordelijkheidsgevoel, die zelf liefst zo gauw mogelijk van het zaakje af wilde.

De andere droppings

De overige droppings zijn heel behoorlijk soms zelfs onverbeterlijk uitgevoerd. De tweede dropping op 11-12-’44 bracht ons 15 containers en 5 pakketten.
Aangezien de slagzin verbasterd doorkwam – i.p.v.. ” de hemel is rood ” werd doorgegeven ” de hemel is ziet rood “, stonden we oorspronkelijk in twijfel of er al dan niet gedropped zou worden. De C.A.T.9 die hierover aan Amsterdam nadere inlichtingen vroeg, kreeg echter de verzekering, dat er wel gedropped zou worden hetgeen ook gebeurd is.

De derde dropping, die moet hebben bestaan uit 15 c. en 3 p. en op 2-1-’45 plaats vond, is door ons niet ontvangen.
We hebben het vliegtuig wel gezien, doch het is niet over het terrein gekomen. Nadat uit Londen de verzekering kwam, dat er wel gedropped was, is over een grote uitgestrektheid de omgeving van het terrein afgezocht. Er was echter geen spoor van een dropping te bekennen.
Aangenomen moet worden, dat deze dropping in het IJsselmeer is terecht gekomen.

De vierde dropping op 18-3-’45 omvatte 24 c. en 3 p.

De vijfde op 2-4-’45 : 24 c en 4 p evenals de zesde op 10-4-’45

Op 21-4-’45 hebben we tussen 12 en 2 uur 2 droppings ontvangen. De een 12.50 uur de ander 1.10 uur. Deze droppings werden uitgevoerd bij lichte maan, we konden de containers en pakketten tellen, terwijl ze nog tussen hemel en aarde zweefden.
Ik vroeg me af of dit niet op grote afstand gezien zou kunnen worden doch toen na een uur nog geen schoten gehoord waren uit de richting van een van beide toegangswegen tot het dorp, waar de eerste groep van onze sectie tot bewaking van het terrein zijn posten had uitgezet, verdween dit gevoel van onzekerheid.
We ontvingen deze nacht 2 keer 13 c en 3 p.

Periode tussen de laatste dronping en bevrijding.

Enige dagen na de dropping van 21 op 22 April werden in het dorp Hem, dat aan Wijdenes grenst, Duitse soldaten ingekwartierd. In verband hiermede hebben we de ligging van het terrein opgegeven als zijnde verplaatst over een afstand van 2 1/2 km naar het Z.O. We hadden hier de beschikking over enige grote stukken weiland, dicht bij de zee, doch uit het gezicht van de Duitsers in Hem.

De dag daarop werden echter ook in onze gemeente vijandelijke soldaten ingekwartierd – in verband met de bevrijding van onze oostelijke provincies werden er langs de hele noordhollandse IJsselmeerkust Duitsers ingekwartierd, teneinde een eventueel oversteken van de geallieerden tegen te gaan – hetgeen tengevolge had, dat het terrein voor verdere droppings niet in aanmerking kwam. Het werd dan ook opgegeven als zijnde vanaf dat moment voor droppings ongeschikt.

Onderbreking droppings.

Van 2-1-’45 tot 18-3-’45, dus gedurende 2 1/2 maand hebben we geen droppings ontvangen tengevolge van de arrestatie van de commandant van de afwerpterreinen in Nederland, Hans.
Toen droppen weer verantwoord werd, na de slagzinnen veranderd te hebben, werd er in sneller tempo voortgegaan als voor de onderbreking het geval was.

Opmerkingen.

  1. De parachutes.
    Terwijl in hetbegin veel witte parachutes werden gebruikt, ging men er later toe over donkergekleurde parachutes te bezigen. Met het oogpunt van veiligheid was dat in ons voordeel, aangezien deze laatste niet zo tegen de aarde afstaken en dus voor vijandelijke vliegtuigen minder opvielen dan de witte.
  2. Gebruik van lichten door vliegtuig.
    Het gebruik van lichten door de vliegtuigen is door mij steeds beschouwd als een handeling, waarvan het nut absoluut niet opwoog tegen het nadeel. Dit laatste in verband met de veiligheid van het terrein. Immers, alvorens gedropped werd, cirkelde het toestel enige malen rondom het terrein. Door dit laag vliegen werden steeds mensen gewekt en er waren altijd nieuwsgierigen, die eens buiten gingen kijken. Op zichzelf hinderde dit niet zozeer, aangezien het niets bijzonders was, als er eens een vliegtuig laag overkwam, maar als dan steeds op dezelfde plaats de lichten van het toestel werden gebruikt, kon dit gemakkelijk aanleiding geven tot opmerkzaamheid bij de onbetrouwbaren en tot kletsen bij de praatgragen.
    M.i. was de veiligheid beter gediend geweest door deze handeling achterwege telaten. Het sein, dat men in het toestel ons opgemerkt had, was voor ons toch van geen nut, wanneer er niet gedropped werd, terwijl het eerstgenoemde logisch was, als er wel gedropped werd. 
  3. Gebruik van Eureka en S-phone.
    Deze apparaten hebben m.i. alleen nut gehad als experiment. Aangezien er in ons gewest maar een paar aanwezig waren, moesten Eureka en S-phone steeds per fiets van het ene naar het andere terrein vervoerd worden hetgeen een geweldig risico was. Wanneer ieder terrein over een eigen Eureka en S-phone de beschikking gehad zou hebben, zou dat risico aanmerkelijk minder geweest zijn • Bovendien werd door de vliegtuigen niet altijd gebruik gemaakt van de aanwezigheid van beide apparaten op het terrein. Slechts éénmaal hebben we op “Sally” per S-phone contact gehad met een toestel, doch dit was een toestel, dat op een ander terrein dropte. Dat het gebruik van beide apparaten ook meer als experiment werd beschouwd door “de overkant” bewijst wel het feit, dat alleen op deze apparaten, zonder gebruik van lampen, niet gedropped werd. Eenmaal heb ik het meegemaakt op “Laloe”, waar Guus aanwezig was, dat ondanks het feit, dat Eureka en S-phone in orde waren, het vliegtuig verdween* na twee keer te zijn overgevlogen, hoogstwaarschijnlijk, omdat Guus beide malen geen lampen gebruikte* daar hij het eens alleen op E en S wilde proberen.
  4. De telefoonverbinding
    Oorspronkelijk konden we alleen het telefonisch contact onderhouden d.m.v. de P.E.N. telefoons. Later werd een speciaal voor de B.S. bestemd telefoonnet door West-Friesland gelegd. De centrale “Post Poddy” bevond zich in Hoorn. Via deze centrale kon contact verkregen worden met elke B.S. telefoon.
    Onnodig te zeggen, dat dit voor de afdeling C.A.T. van zeer veel belang was.
    Het aantal gedropte containers en pakketten met een specificatie van de inhoud en eventuele bijzonderheden konden geweldig vlug worden doorgegeven naar de commandopost.
  5. Wapenverliezen.
    De wapenverliezen zijn over het algemeen niet groot geweest. Één keer zijn bij een dropping twee containers met Winchester geweren te pletter gevallen wegens het weigeren van de parachutes. Daardoor zijn 18 Winchesters onbruikbaar geraakt. 3 stenguns en 1 Remington pistool gingen verloren bij een treffen met Landwacht en Duitsers.
  6. Gesneuvelden.
    Bij bovengenoemd treffen met de vijand op 17 April 1945 bij Hoorn sneuvelde het lid van de eerste groep van onze sectie D. Roos. Een Duitser werd hierbij door een 11 mm patroon getroffen, mogelijk gedood.
  7. Diefstal,
    Diefstal van wapens of levensmiddelen heeft op “Sally” niet plaats-gevonden.
  8. Organisatie,
    Bij de eerste dropping kon van een voorbereide organisatie geen sprake zijn door het onverwachte van deze dropping. We konden slechts gebruik maken van de mensen, die op dat moment toevallig op de droppingboerderij aanwezig waren en enige medewerkers. Daarna gingen we over tot het uitzoeken van mensen,die ons voor dit werk geschikt toe leken. We beperkten ons daarbij tot diegenen, die al min of meer illegaal werk deden of tot onze intieme kennissen behoorden.
    In Januari 1945 had een verandering plaats in het commando.
    Op een bijeenkomst in de Wieringermeer, die ons steeds blijft heugen,